Korte verhalen

De wederkomst

(Verschenen in: Mijn Johan Cruijff (2007), verzamelbundel ter gelegenheid van Cruijff’s 60ste verjaardag)

Ik ken een man die zijn eigenwaarde ontleent aan het samenvallen van zijn geboortedag met de dood van John F. Kennedy. Ooit sprak ik een vrouw met hoge verwachtingen omdat haar zoon op dezelfde dag jarig is als John Lennon. Ik daarentegen ontleen niets aan het feit dat Johan Cruijff precies 77 dagen na mijn geboorte debuteerde tegen GVAV. Hij had geen weet van mij en ik niet van hem en als het aan mijn moeder lag bleef dat zo. Als het even kon voor de rest van mijn leven. Mijn moeder zag het gezin niet als hoeksteen van, maar als bunker in de samenleving. Haar kinderen moesten beschermd worden tegen verkeerde invloeden. En dat waren er nogal wat: The Beatles, televisie, kranten, boeken die niet over god gingen, roken, drinken, dansen, kaartspellen, spijkerbroeken, vrouwen in bikini en mannen met snorren. Ook Johan Cruijff was een groot gevaar. Hij was de belichaming van de moderniteit en die moest koste wat het kost buiten gehouden worden. ‘Cruijffie met de kromme bene,’ zei ze soms met slecht geïmiteerd volks accent en ze trok er een gezicht bij alsof ze een grote slok levertraan had genomen.

De eerste keer dat ik zijn naam hoorde was op een zondag in Zwolle. We waren ’s ochtends zoals gebruikelijk naar de pinkstergemeente in Het Bastion geweest. Daar zongen we uit volle borst ‘Welk een vriend is onze Jezus’ en bekrachtigde mijn moeder de preek om de zoveel minuten met een hartgrondig ‘halleluja’. Om de dag volmaakt te maken, had mijn vader voorgesteld ’s middags met het gezin naar het bos te gaan. De donkerblauwe Simca station stond voor, de kinderen werden verzameld. Plotseling grote consternatie: Rolf was spoorloos. Mijn moeder rook direct onraad. Afgemeten sprak ze met mijn vader, nu een dan trok ze met haar rechtermondhoek. Ze had het over ‘dat voetbal’ en ‘Ajax’. Ze spuwde de woorden uit. 

‘Ik had het hem nog zo verboden en nu zorg je maar dat je hem vindt.’ 

Mijn vader knikte schuldbewust, laadde de auto vol met zijn vrouw en de resterende kinderen en reed de kortste route naar het voetbalstadion. We onderschepten Rolf op de loopbrug die PEC met Zwolle verbond. Driftig stapte mijn moeder uit. Ondanks haar geruite kokerrok tot over haar knie was ze in no time bij hem. Vanachter de autoramen keken we toe. We zagen hem ineenkrimpen toen hij haar aan zag trippelen. We zagen hoe ze haar vinger naar hem priemde, hoe ze hem zijn verraad verweet, hem dreigde met hel en verdoemenis en hoe ze hem meetroonde naar de auto. Rolf propte zich op de achterbank, mijn moeder zette zich kaarsrecht naast mijn vader. 

‘Toe maar Jan, we zijn compleet,’ zei ze en haar knotje knikte bevestigend mee.

Ik liep naast Rolf over het bospad. Lang en mager was hij, mijn lievelingsbroer. Ik keek omhoog, zag een adamsappel schokken in zijn keel. Hoewel hij duidelijk niet in de stemming was om te praten met zijn kleine broertje, waagde ik het er op: 

‘Waarom wilde je niet mee?’ 

Met buitenkant rechts schopte hij herfstbladeren in de lucht. 

‘Johan Cruijff,’ zei hij en verder niks. 

Mijn broer die zich door niemand gek liet maken, die zich al jong de kunst van het versterven eigen had gemaakt en drie uur deed over het schillen van een pan aardappelen, had zich onttrokken aan het familiegeluk omdat hij Johan Cruijff wilde zien voetballen. Ik wist bij god niet wie Cruijff was, maar zijn naam maakte diepe indruk. Ik was deelgenoot geworden aan een groot geheim.

In 1970 verhuisden we naar Swifterbant in Oostelijk Flevoland, waar de horizon van modder was. Ons huis was gebouwd volgens exhibitionistische architectuur, met enorme ramen tot vlak boven de grond. Een gruwel in de ogen van mijn moeder. Om de wereld buiten te houden, hield ze de luxaflex voortdurend gesloten. De tv bleef taboe en mijn ouders lazen het sportloze Reformatorisch Dagblad. Toch kon mijn moeder niet verhinderen dat Cruijff stiekem mee verhuisde. Mijn twee oudste broers sloten een verstandsvriendschap met Bas, de oudste zoon van de hervormde dominee die een paar huizen verderop woonde. Een vriendschap die vooral zondag- en woensdagavond werd geconsumeerd. Bij thuiskomst praatte Rolf me fluisterend bij. Over weer een overwinning van Ajax, maar vooral over de tweebenigheid van Johan Cruijff, zijn buitenkant voet, zijn vooruitziende blik en zijn versnelling aan de bal. 

‘Cruijff is sneller met dan zonder bal,” beweerde Rolf. “ En als hij op topsnelheid ligt, gooit hij er nog eens een versnelling uit.’ 

Bij ontbreken van beelden nam Cruijff mythische proporties aan; een rijzige gestalte met wapperende haren en enorme turbodijen. ’s Avonds in bed, als de novembermist tussen de dijken hing, dacht ik aan Johan Cruijff. En aan zijn discipelen Piet Keizer en Sjaak Swart. Overdag speelde ik Cruijff na tegen de garagedeur. Links, rechts, links, rechts, tot de buren er horendol van werden.

Doordat de dominee plotseling tot een andere gemeente geroepen werd, trok het wereldkampioenschap van 1974 ongezien aan ons gezin voorbij. Geen enkele herinnering kwelt mijn geest. Elk nadeel heb z’n voordeel avant la lettre, zeg maar. En daarna – nadat Cruijff naar Barcelona vertrok – ging het Nederlandse voetbal op de glijbaan. Toch nam in het seizoen 1976-1977 de voetbalkoorts mij flink te grazen. Ik spaarde de plaatjes van alle spelers in de eredivisie, bij de plaatselijke fietsenmaker annex boekwinkel verworven volgens het principe één zakje betalen en vijf in je broek proppen. Al vrij snel had ik alle elftallen compleet in mijn voetbalplakboek, mijn kostbaarste bezit. Ajax zonder Cruijff maar met Jan Everse, Pim van Dord en Dick Schoenaker, niet te verwarren met Schoenmaker van FC Den Haag waartoe ook de vlezige hoofden van Aad Kila en Aad Mansveld behoorden. Elke zondagmiddag nadat mijn vader zijn wereldbeeld had laten bevestigen door G..B.J. Hilterman, zat ik aan de radio gekluisterd. Vanaf de aftrap om half drie tot het laatste fluitsignaal vernauwde mijn wereld zich tot Langs de Lijn. De namen die de commentatoren de ether in schreeuwden sloeg ik na in mijn plakboek. Tscheu la Ling, Simon Tahamata, Ruud Geels, maar ook Joop Koorevaar, Louis van Gaal en Dwight Lodeweges. Als er even niks gebeurde op de velden, bladerde ik naar achteren, naar de pagina met Nederlandse voetballers in het buitenland. Johan Cruijff oogde onaantastbaar in het shirt van Barcelona. Ik was gelukkig, tot mijn moeder op een zondagmiddag zei: 

‘Jongen, dat voetbal staat toch niet tussen jou en de Here Jezus? Dat wil je toch niet?’ 

Ze keek me doordringend aan. Ik wist dat ze gelijk had: in een één-tegen-één duel met Cruijff zou Christus het moeilijk krijgen. Schuldbewust drukte ik de radio uit, pakte mijn voetbalplakboek met beide handen beet, scheurde het doormidden en verdween naar mijn kamer. 

Als laatste kunstje hielp Cruijff Oranje naar het WK ‘78, zelf bedankte hij voor de eer. Ondanks de actie Trek Cruijff over de streep. De angst van Danny voor Argentijnse zwembaden won het van de volkswil. Nog erger was dat Cruijff stopte met voetbal. Desondanks hing zijn geest boven het WK. In een vlaag van mildheid – of was het omdat Cruijff niet meedeed – mocht ik van mijn moeder bij mijn vriend Henk de eerste helft van de finale zien. Alleen de eerste helft.. In de rust fietste ik van boer Vos langs de eeuwige zoemende aardappelloodsen via verlaten nieuwbouwstraten naar huis. Ik meldde me binnen bij mijn ouders, die in de woonkamer zaten te lezen. 

‘Ik ga even Donna uitlaten, ma.’ 

‘Goed, mijn jongen. Niet stiekem ergens voetbal gaan kijken, hè?’ 

‘Nee ma.’

Alleen op de wereld slenterde ik achter mijn hond naar het centrale grasveld in het dorp. Het was uitgestorven, op wat magere boompjes en Geert Smit na. Geert en zijn broer Wim waren de dorpsgekken van Swifterbant en naast ons de enigen in de wijde omgeving zonder tv. Dat schiep een band. Wim liep altijd in overall en laarzen achter zijn kruiwagen met schep. Hij was op de hoogte van alle auto-ongelukken in de polder, maar dit terzijde. Broer Geert was beschaafder, droeg boven zijn rubberlaarzen een spijkerbroek met geruit overhemd. Altijd had hij een bal aan zijn grote voeten. Hij kende alle uitslagen uit de eredivisie vanaf de invoering van het betaalde voetbal uit zijn hoofd. Compleet met scoreverloop en doelpuntenmakers. Tijdens wedstrijden droeg hij standaard een transistorradio aan zijn oor. Als Ajax verloor kon hij ondanks zijn gereformeerde achtergrond hartgrondig vloeken. Nooit was ik blijer hem te zien dan die avond. Hij stond in karakteristieke houding: het opgeschoren hoofd in concentratie gebogen, de radio tegen zijn oor gedrukt en de bal tussen de laarzen. 

‘Dag Boudewijn,’ groette Geert toen hij me zag. Zijn gezicht stond zorgelijk.

‘Hoi Geert, nog steeds 1-0 achter?’

‘Nog steeds, ja. Stil, anders hoor ik niks.’

Ik ging dichtbij hem staan en luisterde mee, mijn oor dichtbij de zijne. Arie Haan passt op Rene van de Kerkhof, voorzet, daar komt Nanninga aanvliegen, kopbal, goal! Geert werd gek van vreugde. ‘JAAH JAAH JAAH,’ sprong hij juichend de wormen uit het gras, beide armen ten hemel geheven. Met hoofd in de nek begon hij luidkeels aan een slalom tussen de jonge boompjes, Donna enthousiast achter hem aan. Hijgend kwamen ze teruglopen. Met een gelukzalige glimlach om zijn kaken stak hij een witte hand uit:

‘Boudewijn, gefeliciteerd met de gelijkmaker van Oranje.’

Zijn bovengebit stak als een omgekeerde scheepsboeg uit zijn mond, speeksel weefde een web tussen zijn tanden. Ik schudde zijn hand.

‘Jij ook gefeliciteerd, Geert.’

‘Stil, er is al weer afgetrapt.’

Samen beleefden we de bal op de paal van Rensenbrink, ontdaan ondergingen we het echec van de verlenging. Direct na het laatste fluitsignaal zei Geert zonder me aan te kijken:

‘Ik ga naar huis.’

Hij draaide zich om, schoot de bal huiswaarts en slofte erachter aan. Ik hoorde hem nog net mompelen:

‘Godverdomme, met Johan hadden we gewonnen. Godverdomme.’

Het verlies in de finale was de opmaat naar de jaren tachtig, het somberste decennium van de vorige eeuw. Altijd regen, altijd november, behalve toen mijn ouders in een plotselinge aanval van frivoliteit na twintig jaar weer eens besloten te gaan schaatsen. Na een paar onwennige slagen op een poldervaart, smakte mijn moeder achterover tegen het ijs. Toen ik me bezorgd over haar heen boog, zei ze terwijl ze haar ogen opsloeg: ‘Boudewijn, mijn hoofd knettert als een transformatorhuisje.’ Daar was geen woord van gelogen, want binnen een paar dagen was ze knettergek, sloot zich voorgoed op in haar kamer en bemoeide zich niet meer met het gezin. De weg naar ongebreideld voetbal kijken lag open. Helaas was in het Nederlandse voetbal inmiddels schraalhans keukenmeester. Ajax overleefde met spelers als Peter Boeve, Edo Ophof, Keje Molenaar en Ray Clarke hoogstens een rondje Europa Cup tegen een IJslandse club om vervolgens in de tweede ronde door Honved Budapest of iets dergelijks uitgeschakeld te worden. Toine van Mierlo en Cees Schapendonk vormden godbetert de  aanval van Oranje, Bennie Wijnstekers was aanvoerder. Toch was er in die donkere dagen een glimp hoop: Cruijff had zijn geld voor de zwijnen geworpen en in arren moede zijn kicksen weer aangetrokken. Eerst in dienst van een paar Amerikaanse clubs, later van het Spaanse Levante. De eerste keer dat ik Cruijff in bewegend beeld zag, was toen hij de tribunes van De Meer afdaalde om Leo Beenhakker tactisch bij te spijkeren. Ik vergaapte me aan zijn drukke gebaren en zijn scherpe kop met nerveus opengesperde neusgaten. Maar zijn optreden had ook iets onheilspellends: Cruijff leek definitief voetballer af en toegetreden tot het gilde der coaches. Mijn moeder had haar zin gekregen: ik zou Cruijff nooit zien voetballen. 

Tot de loop der dingen in een stroomversnelling raakte. De geruchten dat Cruijff met Ajax in onderhandeling was over een comeback, bleken juist. Op 6 december 1981 maakte Johan Cruijff zijn rentree. Dagen van tevoren was ik al nerveus en had ik een zitplaats geregeld voor de tv van de familie Vos. Op zondagavond meldde de televisiecommentator een uitverkochte De Meer. En dat tegen Haarlem. Het voedde mijn verwachtingen. In de ruime samenvatting van Studio Sport zag ik Johan Cruijff voor het eerst voetballen. Ik zag hoe Gerrie Kleton beleefd de loper voor hem uitrolde, hoe Cruijff daar – ondanks zijn 34 jaar – overheen dartelde, hoe hij over Haarlemse benen sprong, tackles ontweek, over Metgod lobde en Kieft liet scoren. Tevreden zakte ik achterover in de leren kussens van de Oisterwijk fauteuil. Terwijl  Johan Cruijff miljoenen mensen aan de buis kluisterde, wist ik met grote zekerheid: ‘Hij is speciaal voor mij teruggekomen.’

 

© Boudewijn Smid

 

 

_____________________________

 Olympisch tennisgoud met een zwakke rug

(Verschenen in Achilles 03, sportverhalen van toen en nu)

Een mysterieuze tennisser won in 1988 de eerste olympische tennistitel sinds 1924. Hij kwam uit Tsjecho-Slowakije, slenterde over de baan, droeg zijn racket alsof het tasje van AH was en hij heette Miloslav Mečíř. Hij zag de service uitsluitend als een manier om de bal in het spel te brengen – en flegma was zijn handelsmerk. Boudewijn Smid is al meer dan twintig jaar gefascineerd door de geheimzinnige speler met de fabelachtige techniek. Hij reisde naar Bratislava en sprak met de man die tegenwoordig coach is van het Slowaakse Daviscupteam en wel van werken houdt, als het maar niet te lang duurt.

Twintig jaar geleden won een Tsjecho-Slowaak tennisgoud op de Olympische Spelen van Seoul. Zijn spel en persoonlijkheid waren een raadsel, het land waarvoor hij de medaille won is inmiddels opgeheven. Hoe is het eigenlijk met Miloslav Mečíř?

Ik lig op een soort brits in een soort kloostercel in de Altstadt van Bratislava. De muren van de hotelkamer zijn weliswaar 80 centimeter dik maar hebben de 33 graden van de dag niet buiten weten te houden. Zweet ligt als cellofaan om mijn lijf. Tot overmaat van ramp weigert de van dienst, op de televisie sneeuwt het. Morgen heb ik een interviewafspraak met voormalig toptennisser Miloslav Mečíř (1964). Heimelijk omdat ik in de jaren ‘80 dacht als een van de weinigen zijn genialiteit te zien. Officieel omdat Mečíř in 1988 in Seoul de eerste gouden Olympische tennismedaille sinds 1924 veroverde. Je hebt tenslotte een alibi nodig voor een verhaal.

De eerste keer dat ik Mečíř op televisie zag, liep een verdwaalde leraar klassieke talen over een tennisbaan. Hij sloeg de ballen terug, maar leek geen enkele interesse te hebben of ze in of uit gingen. Gedurende de rally wandelde hij heen en weer achter de baseline, en het gekke was: hoe hard zijn tegenstander ook sloeg, hij was telkens ter plekke om de bal terug te slaan. Aan het eind van elke game slofte hij naar zijn stoel, zijn racket bungelde als een AH-tas aan zijn hand. Hij ging zitten om na al die uitsloverij zijn boek weer op te pakken. Althans zo leek het. Een gelijksoortige indruk kreeg ook Martin Simek, oud-coach van Michiel Schapers, cartoonist, radio- en tv-presentator, columnist en voormalig landgenoot van Mečíř. ‘Ik zag hem voor het eerst op een satelliettoernooi in Galatina in Zuid-Italië. Ik liep daar wat rond die baan om te kijken naar jong talent. Plots zag ik een jongen die er geen moer aan leek te doen. Mijn eerste gedachte was: weer zo’n kind van rijke ouders die moet tennissen van zijn vader. Maar toen ik beter keek, zag ik dat hij versleten schoenen en een verwassen outfit droeg en een merkloos racket hanteerde. Direct begreep ik dat het een jongen uit het Oostblok moest zijn. Gefascineerd door zijn flegma bleef ik kijken. Na de verloren partij sprak ik hem aan en zei: “Als je zo blijft tennissen, word je top-10.” “Ik denk dat je gelijk hebt,” antwoordde hij. “Maar trainers willen steeds dat ik me meer uitsloof.” Een jaar later won hij het toernooi van Rome.’ Die eerste ontmoeting was het begin van een warme band tussen Mečíř, Simek en diens pupil Michiel Schapers. Schapers trainde wel eens met hem: ‘Maar eigenlijk was dat onmogelijk,’ herinnert Neerlands tennishoop van de barre jaren ’80 zich. ‘Als hij een mooie vlinder zag, liep hij zo van de baan. Zijn trainingsinzet was matig, meestal won ik van hem. Hij sloeg ook geen lekkere ballen terug. Mečíř was een echte wedstrijdspeler, dan ging bij hem de knop om. Op wat er in hem omging was geen pijl te trekken.’

Met dat mysterie ging ik praten, 20 jaar na zijn gouden medaille. We hadden afgesproken bij het National Tennis Centre, in een grauwe buitenwijk van Bratislava. De taxichauffeur begint te glimmen als ik hem vertel dat ik Mečíř ga ontmoeten. ‘Sehr gut, sehr gut.’ Meer Duits spreekt hij niet. De tennishal ligt naast het voetbalstadion van Slovan Bratislava. Het meisje van de receptie kijkt me glazig aan als ik naar Mečíř vraag. Dan wijs ik op de grote poster aan de wand, waarop hij figureert als Davis Cup-captain in de verloren finale van 2005. Een glimlach breekt door en ze verwijst me naar de naastgelegen Slovan Tennisclub. Daar vind ik hem. Hij zit, of beter, hangt diep onderuitgezakt aan een picknicktafel onder een knalgele parasol aan de rand van de gravelvelden. Cowboyhoed, baard van een week, poloshirt, shorts en slippers. Simek had het al gezegd: fysiek zo sterk dat hij op zijn handen de trap op en af kon lopen, brede schouders aan een opvallend lang bovenlijf, korte stevige benen. Voor me staat niet alleen de Davis Cup-captain van Slowakije, maar ook de president van Tenis Klub Slovan Bratislava. Hij slentert voor me uit naar het fris geschilderde clubhuis, de trap op naar boven naar de bestuurskamer. Dezelfde slenter als hij op de tennisbaan etaleerde. We zetten ons in knalrode fauteuils, Mečíř legt zijn hoofddeksel voor zich op de salontafel, slaat zijn benen over de armleuning en zakt onderuit.

Weinigen hadden voorzien dat je coach zou worden. Sterker nog: je bent ook nog eens president van een tennisclub.
[Verontschuldigende lach] ‘Dat presidentschap is een ongelukje. Maar ik ben al jaren coach van het Davis Cup-team. Niemand zag me omdat Slowakije in de jaren ’90 in de laagste regionen van de Davis Cup bivakkeerde. De laatste jaren zien mensen me op televisie omdat we naar de wereldgroep promoveerden en in 2005 zelfs de finale haalden.’
Is succes als coach te vergelijken met succes als speler?
‘Een wereld van verschil. Ik was blij dat de jongens het goed deden en de finale bereikten. Ik probeerde ze wat advies te geven, maar belangrijker was dat zij in vorm waren. We hadden ook geluk dat we drie goede spelers hadden. Hrabty, Kucera en Beck stonden alledrie in de top-100. Je bent ook anders nerveus als coach. Je kunt gewoon blijven zitten, als speler moet je toch maar die volley maken, die opslag slaan.’
Je had zelf een nogal atypische manier van spelen. Probeer je die ook als coach over te brengen?
‘Niet specifiek. Ik analyseer de speler en probeer hem te vertellen hoe hij dingen kan verbeteren. Ik ga uit van zijn spel, probeer van hem niet een soort Mečíř te maken. Ik geef ook nu en dan advies aan jonge spelers, wil ze laten zien welke slagen er allemaal mogelijk zijn. Dat ze niet alleen maar zo hard mogelijk moeten slaan. Dat ze moeten nadenken in de wedstrijd. Maar het hangt van de speler af of hij het oppikt. Sommigen willen van elke bal een winner maken. Dan zijn mijn adviezen paarlen voor de zwijnen. Ik heb niks tegen hard slaan, deed ik zelf soms ook. Maar probeer af en toe eens een dropshot. Of sla eens een langzame bal om je tegenstander uit zijn ritme te halen.’
Vertel je ze ook hoe ze hun slagen kunnen camoufleren? Zoals jij vroeger deed?
‘Niet echt. De gecamoufleerde slag is slechts een kwestie van naar je tegenstander kijken. Waar hij staat en in welke richting hij beweegt. Buiten sommige technische shots had ik nooit de bedoeling mijn slagen te camoufleren. Natuurlijk, als je een paar keer achter elkaar een bal cross hebt geslagen en je tegenstander verwacht dezelfde slag weer, dan probeer je wat anders.’
Jouw tactische spel was een zeldzaamheid in tennis.
[Lacht] ‘Dat was allemaal toeval. Ik speelde zoals ik dacht dat het moest. Ik probeerde voordeel te halen uit de situatie, het juiste shot op het juiste moment. Bijna geen slag was hetzelfde. Soms met meer of minder snelheid. Meer, minder of geen effect.’
Je tenniste niet alleen anders dan de anderen, je zag er ook anders uit. Minder sponsors op je shirt bijvoorbeeld. En je speelde heel lang met een houten racket.
‘Het was moeilijk voor mij om sponsors te krijgen. In het communistische blok verkochten de grote adverteerders nauwelijks iets, behalve Adidas misschien. Waarom zouden ze mij sponsoren?
Totdat ik grotere toernooien ging spelen, was het zelfs moeilijk aan rackets te komen. Op gegeven moment had ik een paar rackets geleend van mijn dubbelpartner Thomas Smid. Die bevielen me zo goed dat ik de Snauwaert benaderde voor een paar nieuwe. Omdat ik toen in de top-100 stond, kreeg ik er vier. Twee ervan gingen al snel stuk, waardoor ik nog maar twee goede voor de wedstrijden had. De twee kapotte gebruikte ik voor de training. Vier rackets in twee jaar, niet slecht.’
Was het talent of heb je hard moeten werken om de top te bereiken?
‘Vooral toen ik jong was, tenniste ik ontzettend veel. Mijn vader tenniste, mijn drie jaar oudere broer ook. Ik speelde veel tegen jongens van zijn leeftijd. Ik was weliswaar lang, maar heel dun. Weinig spieren. Maar ik speelde veel omdat ik het leuk vond. Ik had een bloedhekel aan verliezen. Als ik verloor wilde ik direct revanche.’
Terwijl het leek of winst of verlies je maar matig interesseerde.
‘De gezichtsexpressie is soms totaal anders dan wat de speler van binnen voelt…Dat stoïcijnse past van nature bij mij, maar ik heb me er ook op getraind omdat ik merkte dat ik op die manier meer gefocust was. Als ik te opgewonden raakte, was ik niet meer in staat de juiste shots te spelen.’
Het maakte andere spelers gek.
‘Als je niet weet hoe je ze met tennis moet verslaan, moet je ze psychisch uit balans halen. Ja, er waren dagen dat ik psychologische spelletjes speelde.’
Er doen allerlei verhalen over je de ronde. Bijvoorbeeld dat je in Key Biscane ‘s ochtends in de kleedkamer ging liggen, de wedstrijden op tv bekeek en ‘s avonds weer zonder iets gezegd te hebben naar je hotel terugging.
[Lacht] ‘Dat kan ik me allemaal niet meer herinneren, wel dat ik dat toernooi won. Ik ben nogal geduldig van aard. Ik bekeek mijn tegenstanders wel eens, maar nooit te lang. Misschien was ik toen gewoon vermoeid en had ik veel behoefte aan liggen. De pers maakte er vaak meer van dan het was. Als ik ging vissen, werd er gezegd: “Kijk, Mečíř voert weer niks uit.” Als ik moe was van de Tour nam ik rust. Maar dan kwam ik hier in Bratislava en dan moesten de terreinmensen me ‘s avonds van de baan slepen. Ik deed de dingen gewoon op mijn manier, op sommigen kwam dat vreemd over. Veel spelers gingen rondjes rennen om de tennisbanen, ik liep liever langs een kanaal, of in de natuur. Soms deed ik mijn warming-up tegen de muur, omdat ik niemand vond om tegen te spelen. In de jaren ’80 werd het mode om met coaches rond te reizen, ik was veelal alleen. Ik was altijd blij als mijn vrienden in het tennis lang in het toernooi bleven, dan voelde ik me minder eenzaam.’
Wat was jouw specifieke talent? Sommigen zeggen dat je de bal langer op je racket had dan anderen.
‘Dat kwam waarschijnlijk door mijn houten racket met lage bespanning. Ik heb geen idee. Dat moeten anderen maar zeggen.’

Gelukkig had ik de vraag Simek en Schapers al voorgelegd. ‘Zijn instinct,’ meent Schapers. ‘Hij wist precies waar de bal zou komen. Door zijn enorme anticipatievermogen leek het alsof hij zich nauwelijks bewoog, maar hij stond bijna altijd op de juiste plek. Bovendien speelde hij met heel veel gevoel, raakte de bal altijd in het midden.’ Ook Simek roemt Mečíř s anticipatievermogen. ‘Maar technisch was hij eigenlijk helemaal niet zo sterk. Ik heb een keer met hem getraind en alleen maar langzame ballen geslagen. Hij sloeg ze allemaal uit. Ik heb nog nooit iemand zo slecht zien spelen. Hij speelde zijn wedstrijden puur op intuïtie. Het was een natuurtalent dat alles op zijn eigen manier deed. Hij had een fantastische dubbelhandige backhand, zijn forehand en volley waren onorthodox maar wel effectief. Je moest hem niet proberen te polijsten, dan maakte je hem kapot. Hij zei niet voor niets ooit tegen een Tsjechische krant dat de ellende van trainers was dat soms iets van wat ze zeiden in je hoofd bleef hangen. Simek was zijn enige positieve ervaring met trainers. Op de volgende vraag wat hij dan wel van die Simek geleerd had, antwoordde Mečíř: “Dat ben ik gelukkig vergeten.”‘

Zijn cryptische antwoorden en zijn onorthodoxe spel bezorgden Mečíř al in zijn tennisleven de cultstatus. Talloze bijnamen vergezelden hem. Big cat bijvoorbeeld vanwege zijn sluipende gang over de baan; Zwedendoder, mystery man vanwege zijn stoïcijnse uiterlijk; tovenaar, vanwege zijn ongelooflijke slagenarsenaal. Misschien wel omdat hij nauwelijks iets losliet tegen journalisten zijn anekdotes over hem talrijk. In wanhoop vroeg een journalist hem eens welke vissen hij het liefst ving. ‘Grote vissen,’ antwoordde Mečíř met een grijns. ‘Zoals Lendl.’ Hij testte zijn reflexen door uren naar de vissen in zijn aquarium te staren. Geregeld rende hij vanachter de flipperkast de baan op om zonder warming-up een wedstrijd te spelen. Hij trainde alleen als hij zich goed voelde. Simek daarover: ‘Mečíř s theorie was dat hij juist dan veel nieuwe dingen kon ontwikkelen en als hij zich slecht voelde zichzelf juist slechte dingen aanleerde. Daardoor stond hij soms vijf uur achtereen op de baan en soms ook dagen helemaal niet.’

Becker zei ooit na een verloren partij tegen Mečíř dat de Slowaak als een vrouw serveerde, anderen spraken in verband met zijn service over een overjarige Engelsman met artritis. Volgens Simek had Mečíř dédain voor de servicekanonnen uit zijn tijd. ‘Hij was van mening dat de service ertoe diende de bal in het spel te brengen en niet om directe punten mee te scoren. Zelf brak bijna zijn rug als hij serveerde. Had hij een betere service gehad, dan was hij de nummer 1 van de wereld geworden.’

Was de service je zwakste punt?
‘Zwakste punt? Soms maakte ik indirect vrij veel punten met mijn service. Ik ging nooit voor de ace, maar probeerde de game te openen met een goede positie. Ik was niet zo afhankelijk van de service als andere spelers. Ik kon de bal in het spel houden, bewoog goed, miste niet veel ballen. Ik heb zelfs eens de prijs voor het beste voetenwerk gekregen. Daar was ik als speler van 1.90 meter en 81 kilo erg trots op.’
Je hebt 11 titels in het enkelspel behaald, goud en brons (herendubbel) op de Olympische Spelen gewonnen. Op het hoogtepunt van je carrière voorspelden spelers als Wilander en McEnroe dat je de nummer 1 van de wereld zou worden. Is het een smet op je carrière dat je met jouw talent die positie nooit hebt bereikt?
‘Geen probleem, maak je geen zorgen. Ik kan er nu toch niks meer aan veranderen. Ik heb gedaan wat ik kon en het gebeurde niet. Er is geen reden om spijt te hebben. Misschien was mijn carrière mooier geweest als ik een Grand Slam titel had gewonnen. Ik heb twee finales verloren.’
Je verloor twee keer van Ivan Lendl.
[geen reactie] ‘Iedereen herinnert me steeds weer aan de verloren halve finale op Wimbledon tegen Edberg, waarin ik twee sets en een break voorstond.’
Maar Lendl…
[geagiteerd] ‘In die tijd was Lendl erg taai. Ik heb hem slechts één keer in zeven partijen verslagen. Maar ik heb bijvoorbeeld nooit van Leconte gewonnen, daar heeft niemand het over. Becker heeft ook een positieve balans tegen mij.’

Lendl was Mečířs Angstgegner. Zowel in de finale van de US Open als de Australian Open verloor hij kansloos in drie sets. Schapers weet waarom: ‘Mečíř liet zich provoceren door spelers als Connors, McEnroe en Lendl. Volgens mij keek hij enorm op tegen zijn landgenoot, die een paar jaar ouder was dan hij. Lendl heeft hem twee keer behoorlijk vernederd in een Grand Slam finale. In die finales speelde Lendl alle ballen heel diep door het midden, zodat Mečíř niet zijn gevreesde hoeken kon maken. Bovendien was Lendl hem fysiek de baas. Op die cruciale momenten brak zijn geringe trainingsarbeid hem op.’ Anderen zeggen dat Mečíř mentaal kwetsbaar was. Beroemd is de anekdote dat Mečíř door zenuwen overmand in een partij tegen Connors onderhands ging serveren. Simek wil niks weten van mentale zwakte. ‘Iemand die zoals Mečíř alles op gevoel baseert, speelt ook wel eens slecht.’ Maar toch. Op YouTube staat een filmpje van nog geen twintig minuten met fragmenten van de kwartfinale US Open uit 1988 tussen Mečíř en Mats Wilander. Het lijkt naast een tennispartij wel een wedstrijd stoïcijns kijken. Mečíř is de betere, op beide fronten. Hij slaat de ene na de andere onmogelijke bal, zoveel zelfs dat vertwijfeling het gelaat van Wilander begint te tekenen. Op gegeven moment toont de Amerikaanse tv een statistiek waaruit blijkt dat Mečíř driemaal zoveel winners slaat als Wilander. Toch wint de Zweed uiteindelijk. Daarom op de man af de vraag:
Was je mentaal sterk genoeg voor de top?
[Stilte] ‘Ik had dagen waarop mijn niveau hoog lag. Maar het wisselde nogal, ik wist niet hoe dat kwam. Er waren dagen dat ik wist waarom ik verloor, er waren dagen dat de tegenstander beter was, er waren dagen dat ik niet eens op de helft van mijn kunnen speelde en bij god niet wist waarom.’
Kenners zeggen dat je partij tegen Edberg op Wimbledon de beste tennismatch is die ooit gespeeld is.
‘Ach, er zijn zoveel partijen met die titel. Het was een wedstrijd als de andere. Het is voorbij, verleden tijd. Hij won het laatste punt, dus.’
Je stond 2-0 voor in sets en had zelfs in de vijfde set nog een break voorsprong.
[zucht] ‘Ik was aan de winnende hand. Twee jaar eerder had ik Edberg 6-4, 6-4, 6-4 verslagen en het leek dezelfde kant op te gaan. Maar in 1988 bleek Edberg een stuk sterker geworden. Gras was niet mijn favoriete ondergrond, maar de omstandigheden waren dat jaar gunstig voor mij. Ik herinner me nog dat ik erg goed retourneerde. Hij veranderde van tactiek na de eerste twee sets. Hij sloeg meer kickservices, waardoor ik achteruit moest en hij dichter op het net kwam op mijn return, die bovendien aan precisie verloor. In de vijfde set had ik op eigen service de kans de break te bestendigen maar mijn volley belandde tegen de netrand. Dat is tennis. Ik heb ook wedstrijden op die manier gewonnen. Dat jaar heb ik geloof ik drie keer van Edberg gewonnen, waaronder de halve finale van de Olympische Spelen.’
Was dat de belangrijkste wedstrijd van de Olympische Spelen?
‘Schapers verslaan was ook belangrijk, anders had ik nooit mijn revanche op Edberg gehad. Schapers was gevaarlijk aan het net, maar had geen echte wapens. Hij leek niet erg hard te serveren, maar plaatste de bal goed. Hij zette me flink onder druk herinner ik me.’

Schapers herinnert zich dat ook. ‘Zoals altijd was het heerlijk om tegen hem te tennissen. Hij was niet alleen briljant, maar ook supersportief. Ik probeerde hem het spelen onmogelijk te maken, de rally’s kort te houden zodat hij niet zou kunnen manoeuvreren. Ik had de eerste set gewonnen en serveerde voor de tweede. Ik had sterk het gevoel van hem te kunnen winnen, maar dat had ik wel vaker. Ik heb zelfs wel eens op matchpoint tegen hem gestaan. Maar hij vond toch weer een goed antwoord op mijn servicevolley spel. Die vond hij overigens altijd, want van de zes partijen die wij tegen elkaar speelden heeft hij alle zes gewonnen.’ Na Schapers in de kwartfinale ontmoette Mečíř Edberg in de halve finale. Ditmaal was het Mečíř die de bloedstollende vijfsetter won. ‘Die winst gaf me veel voldoening, maar ook de finale was geen gelopen koers. Het was de enige keer dat ik van Mayotte wist te winnen. Dat was toen ook een topspeler.’
Is de Olympische titel je belangrijkste prestatie?
‘Vanuit het oogpunt van een tennisser zijn er grotere toernooien. Maar als sporter… Terwijl in het Oostblok vaak alleen maar de finale van het WK-voetbal werd uitgezonden, werden de Olympische spelen integraal getoond. Het was een droom voor mij om zelf te gaan. De spelen waren voor een sporter uit het Oostblok het hoogst haalbare. Ik vond het daarom vreselijk dat Tsjecho-Slowakije de Olympische Spelen in Los Angeles, waar tennis een demonstratiesport was, boycotte. Nog steeds vind ik een boycot een verkeerd middel; sport en politiek moeten niet mixen. Stop de oorlog, wees aardig voor elkaar tijdens de Spelen en ga daarna desnoods door. Ik denk dat de Spelen een idee zijn waarvan mensen kunnen leren.’
Heb je genoten van de Spelen in Seoul?
‘Ontzettend. Ik was jong en ging veel bij de andere sporten kijken. Naar het zwemmen en het gewichtheffen bijvoorbeeld. We mochten de reservefietsen van de Olympische wielerploeg lenen om te ontspannen en om aan sightseeing te doen. Je zag in het Olympische dorp het verschil tussen de mensen die nog in competitie waren en zij die eruit lagen. Die waren aan het relaxen, zingen en dansen. De sfeer in het dorp was fantastisch, ik had voor geen geld in een hotel willen zitten. Ik haat hotels.’
Je won goud voor Tsjecho-Slowakije, een land dat niet meer bestaat. Nu ben je een icoon van Slowaakse identiteit.
‘Voor mij speelt die nationaliteitenkwestie niet. Mijn vader is een Tsjech, mijn moeder een Slowaak, mijn broer een Tsjech omdat hij in Praag geboren is, ik een Slowaak omdat mijn ouders vlak voor mijn geboorte werk vonden in het Slowaakse gedeelte. Mijn vrouw is Tsjech. Toen Tsjechië en Slowakije uiteen gingen, woonden wij in Praag. Daar is mijn zoon geboren. Mijn dochter is hier geboren. Nu ben ik een Slowaaks icoon, wat kan ik eraan doen? Ik sta ook in de Hall of Fame van Tsjechië. Mijn naam is zelfs puur Tsjechisch. Slowaken gebruiken de ř niet, de meesten kunnen mijn naam daardoor niet eens uitspreken. Maar ik ben hier ook bekend omdat ik coach ben van het Davis Cup-team. Ik was geen separatist, mijn vrienden ook niet. De leiders hebben nooit het volk gevraagd wat ze wilden. Volgens mij was het een puur politieke kwestie. Om twee regeringen, twee ambtenarenapparaten en twee keer zoveel gewichtige banen te creëren.’
Droeg je tijdens je actieve carrière een gedeelte van je prijzengeld af aan de staat?
‘In het begin van mijn tenniscarrière betaalden ze mijn onkosten. Later betaalde ik een deel van mijn prijzengeld aan de staat, maar dat was minder dan de helft. Ik was er tevreden mee, ik leef er nog steeds van, dus… Het is weinig tennisspelers gegeven vijf jaar lang in de top-10 te staan.’
Je leidt ook geen glamourbestaan zoals Boris Becker.
‘Ik weet niet hoeveel Becker uitgeeft, of al die vrouwen duur zijn. Ik heb maar één vrouw en één maag, ik wil mezelf niet overeten.’
Veranderde je leven toen De Muur viel?
‘Nauwelijks. Ik had als topspeler veel privileges. Dat begon toen ik als junior het nationale kampioenschap tot 21 jaar won. Toen behoorde ik plotseling tot de drie jongens die mochten reizen. Daartoe had ik een paar paspoorten. Als er twee werden ingehouden om visa te creëren voor buitenlandse toernooien, reisde ik op de andere. Dat was de gebruikelijk manier voor kunstenaars, musici en topsporters. Soms vroegen ze me wie ik ontmoet had, en dan antwoordde ik maar wat. Mijn leven was okay. Ik kon ook mijn ouders meenemen naar buitenlandse toernooien. Voor gewone mensen was het leven veel moeilijker.’

We gaan naar buiten, waar hij me voorstelt aan zijn 17-jarige dochter Lucie die een internationale juniorranking heeft. Zijn 20-jarige zoon Miloslav, uiterlijk een kopie van zijn vader, staat rond de 600ste plek op de wereldranglijst en heeft gisteren verloren op een toernooi in Oostenrijk, zo vertelt Mečíř met compassie. In de brandende zon bekijken we het jubileumboek van Tenis Klub Slovan Bratislava. Trots toont hij de sterren die er ooit speelden. Navratilova, Lendl, Wilander. Het tijdperk Mečíř bladert hij snel door. Dan vertelt hij min of meer out of the blue:
‘Ik ben geboren in Bojnice, een dorp van nog geen 5000 inwoners. Mijn ouders waren beiden chemicus. Veel zomers bracht ik door bij mijn grootouders, die aan een kleine zijrivier van de Hron woonden. We zwommen in de rivier, visten met kleine netten, bouwden dammen, jatten appels uit de boomgaard. Mijn grootvader was een visser, hij viste op snoek, snoekbaars en karper. Toen ik vijf jaar oud was, wilde ik al met hem mee. Om vier uur ‘s ochtends stond ik met hem op, hoewel hij me eigenlijk te klein vond. Liep ik naast hem door het bedauwde hoge gras, waardoor ik zeiknat was tijdens het vissen. Ik vis nog steeds graag, ja. Het voordeel van vissen boven toptennis is dat je het heel lang kan blijven doen. Ook met een zwakke rug.’
Wanneer begonnen je rugproblemen?
‘Eigenlijk al toen ik een junior was. Maar toen waren ze na een halve dag rust verdwenen. Later werden dat twee tot drie dagen, toen een week. Aan het eind van mijn carrière waren het twee tot drie maanden, waarna ik weer een à twee weken kon spelen. Tot mijn 25ste ging het wel, daarna was het over. Ik wist van gekheid niet meer wat ik moest doen. Toen heb ik me laten opereren in Parijs. Die operatie mislukte helaas.’
Viel je in een zwart gat na je carrière?
‘Ik had een zware tijd na mijn operatie. Ik had geen gevoel meer in mijn rechterbeen. Daardoor was ik niet zozeer bezig met het vervolg van mijn tenniscarrière, maar met mijn gezondheid. Ik heb een intensief revalidatieproces doorlopen, oefeningen doen, behandelingen in het ziekenhuis. Ik bracht ook veel tijd door bij de ouders van mijn vrouw, afgelegen op het platteland. Daar ben ik voorzichtig begonnen met tuinieren, bomen planten, gras maaien. Niemand kon me daar vinden. Ja, dat was ook een soort therapie. Ik realiseerde me daar dat ik nog steeds in staat was tot lichamelijke arbeid. En ik fietste veel op de mountainbike. De spieren in mijn been sterkten aan en dat deed me goed. Daarna ben ik naar Bratislava gekomen, heb een stuk grond op de heuvel boven de stad gekocht en daar een huis op gebouwd. Ik heb ook een appartement in Praag – ik hou van Praag – maar hier heb ik meer vrienden. En een grote tuin die veel van mijn vrije tijd vraagt. Er ligt een vijver ten grote van een halve tennisbaan in. Nu en dan gooi ik daar vis in die ik zelf gevangen heb. Snoeken uit de Donau bijvoorbeeld. Ik zit graag op de veranda van mijn huis, kijk naar de eenden die op mijn vijver landen, de zangvogels in de tuin, de roofvogels die op hen loeren.’
Je tuin vraagt veel aandacht, je bent een paar weekends per jaar Davis Cup-captain en je bent president van een tennisclub, maar je maakt niet de indruk je te overwerken.
‘Soms haal ik voldoening uit hard werken, maar het moet niet te lang duren. Die planten in de tuin blijven maar groeien. Daarom heb ik ook een tuinman, omdat ik me niet wil overwerken.’
Je hebt dus geen spijt over de gemiste kansen?
‘Je kunt alleen de dingen tellen die er zijn, niet die er zouden kunnen zijn. Je moet blij zijn met de kleine dingen, anders word je een ongelukkig man. Soms is het genoeg dat ik wakker word en zie dat de zon aan de hemel staat.’

Na het afscheid besluit ik te voet naar mijn hotel terug te gaan. Als ik door de troosteloze Oost-Europese buitenwijken loop, ben ik er nog steeds niet uit waarom Mečíř nooit nummer 1 van de wereld is geworden en geen enkele Grand Slam titel heeft gewonnen. Was het zijn zwakke rug, zijn gebrekkige service of was hij domweg te gelukkig?

————————–

Mijn wedstrijd tegen Ruud Gullit

(Verschenen in: Z-Magazine, jrg. 10/nr. 12)

De ex-vrouw van Michel Boerebach paaide mij op de lagere school met dropjes, Aron Winter gaf mij ooit een lift van Amsterdam naar Lelystad en Pieter Bijl speelde mij finaal van een winderig polderveld. Maar nooit speelde ik tegen een der grootheden van het Nederlandse voetbal: Cruijff, Van Basten, Gullit. Wel was ik er een keer dichtbij. Een jaar of drie geleden speelden we uit tegen AFC, de enige voetbalclub die op de Zuid-As mag blijven. Voor de deur van een kleedkamer verderop was een hoop gedoe. Veel mensen, camera’s, journalisten. Wij van Swift 4 druppelden onze kleedkamer uit op weg naar het veld. De deur van de andere kleedkamer ging open. Als een vorst trad Ruud Gullit het gewoel tegemoet. Net ontslagen als coach van Newcastle United lag zijn eerste wedstrijd bij de amateurs voor zijn voeten. De kin karakteristiek in de hoogte monsterde hij zijn bekijks. Zonder iets te zeggen toog hij temidden van de massa naar het veld. Helaas speelde hij voor AFC 3 en niet voor het vierde elftal. Wij moesten het doen met Raoul Heertje. En híj gaf onze voetbalcarrière geen nieuwe impuls. Geruisloos schoven we in de jaren erna richting midlifecrisis. De snelheid nam af, de buik toe. Rare blessures doken op, de tweede kinderen kwamen, de eerste echtscheiding diende zich aan.

En toen, toen niemand het meer verwachtte, was daar plotseling de zesde maart 2004. We moesten thuis tegen AFC 3. Het gerucht ging dat Stanley Menzo mee zou doen. Ook circuleerden via de e-mail namen als Jaap van Zweden en André Hazes, hoewel aan het KNVB-lidmaatschap van de laatste zeer werd getwijfeld. Kortom: er stond niet zomaar een wedstrijd op het programma. Misschien arriveerde ik daarom vroeger dan gebruikelijk bij Swift op het Olympiaplein. De eerste mens die ik zie is Ruud Gullit. Een kinderfietsje bungelt nonchalant aan zijn rechterarm, twee kinderen jengelen om hem heen. Toch staat hij er verloren bij, ondanks die kinderen en ondanks dat fietsje. Ik wil hem groeten, een bekende Nederlander is tenslotte net een oude kennis. Maar ik zeg niks en loop door. De kleedkamer is nog leeg. Terwijl ik mijn spijkerbroek uittrek, ontwaar ik een wee gevoel in mijn maag. Ik kijk naar mijn benen. Mannenbenen verouderen minder snel dan vrouwenbenen, is mijn conclusie. Ik knijp er eens in, in de benen die tegen Gullit gaan voetballen. Ze voelen slapper aan dan normaal. 

Ik ben volledig omgekleed, voetbalschoenen aan en aanvoerdersband om – nooit was die zo belangrijk als vandaag – als de eerste medespelers opdagen. Peter, laatste man en grijs voor zijn 46 jaar, komt binnen. ‘Heb je ‘m gezien? Gullit is erbij!’ Het stelt me een beetje gerust, de opwinding bij de anderen is net zo groot. Waarom kun je je afvragen, zo’n begenadigd technicus was hij ook weer niet? Misschien niet, maar Gullit is wel een voetballend monument en samen met Marco van Basten de icoon van 1988. Ik wil nog wel verder gaan. Cruijff, Van Basten, Gullit: dat is de heilige drie-eenheid van het Nederlandse voetbal. Misschien is de vergelijking tussen Van Basten en de Heilige Geest wat vergezocht, maar Cruijff is ongetwijfeld God en Gullit Jezus. Jazeker, Gullit is Jezus in voetbalkleren. Wie herinnert zich niet hoe hij in zijn laatste seizoen in Nederland zijn mooie stiftdoelpunt tegen Haarlem vierde met de voeten bij elkaar, armen uiteengespreid en het hoofd deemoedig gebogen? Nou dan. Toch wordt her en der in het elftal getwijfeld aan zijn goddelijkheid. ‘Hij is niet langer dan ik,’ weet Benno. ‘Een verfijnde techniek heeft hij nooit gehad,’ beweert Rein terwijl we naar het veld lopen. ‘Wat kan hij nou wat wij niet kunnen?’

Een domper, tussen de opwarmende spelers van AFC 3 is geen Gullit te bekennen. Vlak voor de aftrap zie ik hem staan, in burgerkleren langs de lijn met twee nog steeds jengelende kinderen: de wedstrijd in de reserve derde klasse tussen kampioenskandidaat AFC 3 en degradatiekandidaat Swift 4 begint zonder Ruud Gullit. Af en toe kijk ik steels naar de zijlijn. Ziet hij mijn stijlvolle lange bal, de koptechniek, de rust aan de bal? Maar al snel is Gullit nergens meer te bekennen. Het wordt 1-0, 1-1 en 2-1 voor rust. In de kleedkamer is Gullit even vergeten. We spreken over onze winstkansen. ‘AFC heeft moeite met het kunstgras,’ analyseert Jan-Maarten terwijl hij de thee verdeelt. ‘We kunnen ze hebben.’ Als we na de rust het veld betreden, zien we hem goddank in voetbalkleren. Hij zit middenin onderhandelingen over de voogdij over zijn kinderen. ‘Hou jij ze nou even in de gaten, man,’ zegt hij tegen een vriend. Die protesteert. ‘Nou, dan voetbal ik toch gewoon niet mee.’ Zijn zogenaamde vriend gaat overstag. Hij keert zich tot Gullits kinderen en snauwt ze met opgeheven vuist toe: ‘Als je je niet rustig houdt, krijg je een klap voor je kop.’ Inwendig knikken wij instemmend, Gullit doet mee! De weg naar onze eigen helft voert toevallig vlak langs hem. Het zwart en rood van AFC geeft hem de allure uit zijn Milantijd. In het voorbijgaan steek ik impulsief mijn hand uit en zeg: ‘Leuk om tegen je te voetballen.’ Met een ietwat geneerde lach schudt hij hem. 

Bij de aftrap blijkt dat Gullit midmid staat: hij is mijn man! Weer dat rare gevoel in mijn maag. Bijna veertig, twee kinderen. Het vaderschap brengt het jongetje in mezelf boven. Als hij bij me in de buurt komt, bekijk ik hem eens goed. Geloof het of niet, maar hij is wintersportbruin (net met Estelle en de kinderen naar Lech geweest, las ik later in de bladen) en inderdaad minder groot dan op televisie. Menselijker, zeg maar. In mijn herinnering waren Gullits mede- en tegenspelers altijd schriele vitamine-arme mannetjes. Zijn dijbenen zijn niet meer de boomstammen van weleer, maar met zijn acceleratie is nog steeds niks mis. Godver, wat loopt hij makkelijk bij me weg. Bal aannemen, meteen trapklaar voor zijn rechtervoet, de machtige beenzwaai, pass… over de zijlijn. Gullit staart naar zijn schoenen. ‘Dat is kut passen op dit kunstgras,’zegt hij. Ik knik. ‘Het is moeilijk je voet onder de bal te…’ Hij luistert niet. Hij heeft een mededeling gedaan, geen vraag gesteld. Weg is Gullit. Gelukkig gaat hij niet teveel diep. Een keer maar sprint hij met lange benen en recht bovenlijf over rechts het gat in, ik zo hard mogelijk achter hem aan. Alsof hij mededogen krijgt, houdt hij in en zoekt een medespeler voor de goal. 

Zijn balaanname is niet sierlijk, eerder wat onhandig. Desondanks kom ik er niet bij. Het is een kwestie van op het juiste moment aanbieden, aangespeeld worden, passen en zelf weer aanbieden. Niets bijzonders doet hij, maar door hem kantelt de wedstrijd. Toegegeven, ik maak het hem ook niet echt moeilijk. ‘Je verdedigt hem als een korfballer,’ voegt Leendert mij in het voorbijgaan toe. Maar wat moet ik dan doen? Hem schoppen? Keihard op hem inlopen? Aan zijn shirt vasthouden? Ik ben toch zeker niet zo’n gefrustreerd amateurtje dat tegen een ex-prof wil bewijzen dat hij – om allerlei niet nader te noemen omstandigheden, bijvoorbeeld omdat hij slechte trainers heeft gehad, te vroeg naar het bier en de meisjes greep of toch in het voetbal de intellectuele uitdaging miste – een eigen voetbalcarrière is misgelopen? Nee hoor, laat hem lekker ballen. Straks zal hij het voetbal nog missen. Op gegeven moment geef ik Gullit zoveel ruimte dat Arjan, godbetert een van onze spitsen, hem loopt te dekken. Ongeveer op onze linksbackpositie. ‘Hé, laat hem maar lopen. Dat is mijn man,’ schreeuw ik hem toe. ‘Moet je hem wel dekken,’ kaatst hij terug. Doe ik. Beter gezegd, ik acteer dat ik hem verdedig. Het gevolg is dat we binnen een kwartier met 4-2 achterstaan. Vooral bij de 3-2 geef ik Gullit veel te veel ruimte. Hij opent op rechts: voorzet, kopbal, goal. En vlak voor tijd neemt hij de 5-2 zelf voor zijn rekening: vanaf dertig meter kogelt hij de bal laag in de hoek. Keeper Jur duikt niet eens.

Als de scheidsrechter affluit, grijp ik weer zijn hand: ‘Leuk om een keer tegen je gevoetbald te hebben.’ De bodem van mijn woordenschat is blijkbaar in zicht. ‘Je had wel erg veel respect voor hem,’ zegt Rein tegen mij op weg naar de kleedkamer. Uitdampend op de houten kleedkamerbanken claimt iedereen zijn persoonlijke heilsmomenten. ‘Ik heb een keer de bal van hem afgepakt,’ pocht Vincent. ‘“Jammer van de mooie aanval,” zei hij tegen mij toen ik ten onrechte voor buitenspel werd teruggefloten,’ beweert spits Benno. En ik, ik denk aan die corner vlak voor tijd. Ik wijs naar Gullit en roep naar mijn medespelers: ‘Ik neem hem wel, hoe heet hij ook wel weer.’ ‘Die zwarte?’, oppert Gullit. We lachen samen, Gullit en ik.

*Om privacyredenen zijn de namen in dit verhaal uit de werkelijkheid gegrepen.

© Boudewijn Smid

  • Over deze site

    Dit is de website van schrijver/journalist Boudewijn Smid.

  • Admin