Prikbord

  • Nu in de boekhandel:
    Het Heulmeisje

  • Epiloog

    Nog eenmaal staan we op de begraafplaats van Maarn. De hemel is grijs, het regent nog net niet. Met mijn vingers hark ik herfstbladeren van het graf, tot de paar bloemstukjes weer enigszins toonbaar zijn. Wim Perlot zet het betonpaaltje met het grafnummer recht. Schouder aan schouder staren we zwijgend naar de steen met het opschrift ‘Een meisje bekend bij god’. Na een minuut of twee met alleen het ruisen van de wind door de kale boomtakken, zegt Wim:
    ‘Koffie?’
    De dichtstbijzijnde uitspanning is gesloten, we besluiten naar Leersum te rijden. Dicht aan de A12 staat Hotel Maarsbergen, voorheen Motel Maarsbergen, dat een rol speelt in de geschiedenis van het Heulmeisje. We duiken onder de A12 door, de rotonde op. Links leidt de parallelweg naar de plaats delict, wij gaan rechtdoor. Aan de linkerkant ligt Valkenheide. Op dit terrein woonde leraar Harry A. met zijn gezin. Zoals steeds in deze omgeving bekruipt me het gevoel door een schuldig landschap te rijden. Voor Wim is dat anders. Hij was bijna vijftig jaar politieman in Midden-Nederland. Voor hem ligt de hele regio bezaaid met plaatsen delict. Op onze roadtrip die in totaal meer dan 3100 kilometer besloeg, kreeg ik ongevraagd een toeristische moordtour cadeau. Zoals de man uit Maarssen die met een blokhamer zijn gezin doodsloeg. Of de vrouw uit IJsselstein die zoek was, tot ze ingemetseld in een douchevloer werd teruggevonden. Het zijn maar een paar voorbeelden uit Wims lugubere archief, waarin het Heulmeisje een prominente plaats inneemt.

    Aan de koffie in De Remise in Leersum kijken we terug op ons wonderlijke avontuur. Eigenlijk begon het allemaal toen televisiemaker Danny Ghosen van Wim hoorde over het Heulmeisje. Die tipte Alfabet Uitgevers dat er een oud-rechercheur rondliep met een bijzonder verhaal. Daarop koppelde de uitgever Wim en mij op hoop van zegen aan elkaar. De kennismaking in Wims toenmalige huis in Lopikerkapel was cruciaal. Gelukkig was de o zo belangrijke eerste indruk goed, van beide kanten. Wim vertelde drie redenen te hebben om het boek te schrijven: een keer het complete verhaal vertellen en laten zien dat de zaak van het Heulmeisje nog altijd de aandacht heeft van de politie. Verder hoopte hij dat het boek de zaak nieuw leven in zou blazen en nieuwe informatie zou opleveren.
    Daarop kregen we over het boek an sich. Volgens uitgever Catharina Schilder hoefde je Wim maar aan te zetten en hij liep leeg over het Heulmeisje. Daarna was het een kwestie van uittikken. Dus ik ging er in de serre van Wims huis maar eens goed voor zitten.
    ‘Weet je,’ begon Wim, ‘voor mij is dat boek een groot zwart gat.’
    Dat was even slikken, maar tegelijkertijd een helder uitgangspunt. We besloten de hele research nog eens dunnetjes over te doen; in de online bronnen te duiken, op Delpher oude kranten door te spitten en alle nog levende betrokkenen te spreken. Dat werd voor mij een grote ontdekkingsreis, en voor Wim, zij het natuurlijk in mindere mate, ook. De reis begon bij oud-rechercheur Marcel Tiehuis en eindigde met de opgestoken middelvinger van Harry jr., die we opzochten. Het was een slalom tussen mededogen, opwinding, verbazing en vooral ongeloof. Als leek in het recherchewerk raakte ik volledig in de ban van het Heulmeisje. Ik stond met de zaak op en ging ermee naar bed. Letterlijk. Op een nacht verscheen het Heulmeisje aan me in een droom. Ze droeg haar bijna zwarte haar in een bobkapsel, had een rond gezicht, met een spitse kin. Haar donkere ogen keken me verwijtend aan, alsof ze wilde zeggen: waarom noem je me niet bij mijn echte naam?
    Hoewel Wim door de jaren heen heeft geleerd moordzaken niet mee naar huis te nemen, werd ook hij opnieuw gegrepen door de zaak. Het mooie was: de schrijver en de rechercheur bleken elkaar aan te vullen. De schrijver was in dienst van het verhaal op zoek naar sprekende details en bewandelde paden waar een rechercheur niet makkelijk gaat. Of zoals Wim het uitdrukt: ‘Ons politiemensen is geleerd een proces verbaal te schrijven, geen proces verhaal.’ En als de schrijver speculatie op speculatie dreigde te stapelen, drukte de rechercheur hem fijntjes met de neus op de feiten.

    Een domper was het contact met het huidige coldcaseteam, constateren we bij de tweede kop koffie. Als oprichter van het team had Wim op meer medewerking gehoopt. Vanaf het begin klonk het vanuit het coldcasebureau in Almere: ‘Over een operationeel onderzoek doen wij geen mededelingen.’ Wim schudt teleurgesteld zijn hoofd. ‘We willen alleen maar helpen door dit boek te schrijven en dan word je als willekeurig welke journalist weggezet. Dat steekt me.’
    Bijna aan het eind van de rit gaven we het huidige coldcaseteam inzage in het manuscript, in de hoop op een informatie-uitwisseling. We kregen een onderhoud met een vierkoppige delegatie. De openingszin van de teamleider was veelbelovend. Ze benadrukte dat we allemaal hetzelfde doel hebben: en dat is Het Heulmeisje een naam te geven. En, voegde ze eraan toe, hoe mooi zou het zijn er ook nog eens een verdachte bij te krijgen en die ‘op te hokken’. Daarna werd de toon defensiever. Zolang het onderzoek nog open was, kon het team ons echt geen informatie gaven waarvan het later last kon krijgen. Verderop in het gesprek kregen we wel de bevestiging dat niets wat we in het boek beweren in strijd is met de bevindingen van het coldcaseteam. Die staken we in onze zak. We vroegen de vier of ze voor het lezen van het manuscript weet hadden van het uitgebreide strafblad van Harry jr. Er volgden ontwijkende antwoorden, tot de teamleider besloot: ‘Of dat toen meegenomen is dat weet ik niet, maar je mag ervan uitgaan dat als jullie in openbare bronnen vinden dat iemand een strafblad heeft, wij ernaar gekeken hebben.’ 
    Wim is tijdens onze terugblik in De Remise duidelijker over deze kwestie dan zijn opvolger. ‘Met de informatie die we nu hebben, waren we toen veel dieper in de zaak gedoken. In die zelfmoord van Harry sr., in de hele familie A., in het doen en laten van Harry jr. Dat is geen verwijt aan het coldcaseteam, maar meer aan mezelf. Ik was als teamleider verantwoordelijk. Ik zeg niet dat we dan de dader zouden hebben gepakt, maar we hadden het als een veel nadrukkelijkere onderzoekslijn moeten meenemen.’

    Gelukkig troffen we op onze zoektocht verder vooral coöperatieve mensen. De gepensioneerde ex-collega’s van Wim begroetten ons steevast met: ‘Ik weet niets meer hoor, niets meer dan online staat.’ Vervolgens gingen deuren in het geheugen open, waarvan de sleutel jarenlang zoek was. Forensisch wetenschappers legden ons geduldig hun toenmalige onderzoek naar botten, tanden en haren nog eens uit. Melissa van de Waerdt is als vindster van het lijk en nauw betrokkene van onschatbare waarde geweest. In Zeeland ontving Marion Jacobse, de zus van de verdwenen en weer verschenen Monique, ons gastvrij. Helaas stond Monique zelf niet open voor een gesprek. Vanuit Lübeck kwam een mailtje met de strekking: los die zaak nou eerst maar eens op, dan praten we verder. De laatste contacten zijn overigens wel weer warm. Monique zegt nieuwsgierig te zijn naar het boek. 

    Het boek is nu af, maar de zaak loopt door. Ook Wim en ik hebben hem (nog) niet weten op te lossen, hoe we dat misschien ook hadden gehoopt. Wel zijn we veel dieper gegaan en hebben we veel meer naar bovengehaald dan we vooraf voor mogelijk hadden gehouden. Door een reconstructie te maken van het onderzoek, staan beide sporen nu in een helderder daglicht: zowel de zoektocht naar de identiteit van het meisje als naar de dader(s). We hopen dat ons verhaal de zaak van het Heulmeisje een frisse impuls geeft. Dat er weer serieuze tips binnenkomen. Dat er een manier wordt gevonden om over de juridische en ethische bezwaren heen te springen, zodat het DNA-profiel van het Heulmeisje in relevante commerciële databanken geüpload kan worden. Wim zei het al bij zijn afscheid van de recherche: het Heulmeisje laat mij niet los. Ik vrees dat voor mij inmiddels hetzelfde geldt. Misschien mag dat een schrale troost zijn: bijna vijftig jaar na haar dood is dat onbekende meisje in het graf in Maarn verre van vergeten.

    Boudewijn Smid

    Amsterdam, januari 2026